Ons hoofddoel m.b.t. de ontwikkeling van het onderwijskundige beleid: Er wordt bewust omgegaan met de verschillen tussen leerlingen, in termen van erkende ongelijkheid in aanleg en capaciteiten. We gaan in de klas uit van minimaal 3 niveaus van leren bij vakken zoals taal en rekenen.

Onze visie is dat kinderen optimaal leren wanneer ze actief, gemotiveerd, betrokken bij de taak, zelfstandig en zelfverantwoordelijk bezig kunnen zijn. Dit alles om ze optimaal voor te bereiden op het vervolgonderwijs en de maatschappij. Het leren wordt gestimuleerd door het aanbod van een ononderbroken leerlijn. Dat vraagt om duidelijke en doordachte leerlijnen vanaf groep 1 tot en met groep 8. Om onze doelen te bereiken heeft onze school gekozen voor het toepassen van adaptief onderwijs waarbij het zelfstandig werken als middel dient om instructiemomenten en momenten van gewenste begeleiding te creëren. Daarbij maken we gebruik van de Kabell-aanpak (Kwaliteit in het Basisonderwijs voor Leerlingen en Leerkrachten). Hierbij wordt het adaptief onderwijs als basis van goed lesgeven verbonden met de leerkrachtcompetenties die daarvoor nodig zijn.

Centraal staat hierbij het ontwikkelen bij het kind van:

  • competentie (het geloof en plezier in eigen kunnen)
  • relatie (het gevoel dat mensen je waarderen en met je om willen gaan)
  • onafhankelijkheid (het gevoel dat je iets kunt ondernemen zonder dat anderen daarbij moeten helpen)

Als het kind gelooft in zijn eigen kunnen onafhankelijk van de goedkeuring van de leerkracht en een relatie met anderen aan kan gaan, zijn de voorwaarden geschapen om alles te kunnen leren wat er in het vermogen van het kind ligt.

Adaptief onderwijs staat vooral voor ‘onderwijs op maat’. Het onderwijsaanbod is gerelateerd aan de kerndoelen van het basisonderwijs. Het is de opdracht van de school ieder kind te onderwijzen naar het niveau van de einddoelen van groep 8. Ieder kind is daarbij uniek met zijn eigen leerproces en onderwijsbehoeften. Per vak worden de leerlingen ingedeeld op niveau in het didactisch werkplan, waarbij het streven is het kind minimaal op hetzelfde niveau te houden dan wel naar een hoger niveau te brengen. Het indelen op niveau gebeurt aan de hand van de Cito-scores. In het didactisch werkplan wordt voor de vakken rekenen, lezen en spelling uitgewerkt welke instructiebehoeften het kind heeft en welke maatregelen genomen worden in het onderwijsleerproces. Daarbij worden tussentijdse streefdoelen geformuleerd.

Voor de meeste groepen geldt een volgende verdeling:

  • Een grootste gemiddelde groep: B/C niveau
  • Een aantal bovengemiddelde leerlingen: A/A+ niveau
  • Een paar ondergemiddelde leerlingen: D/E niveau

Deze niveaus kunnen per vak verschillen. De groep A-leerlingen mogen tijdens de algemene instructie alvast beginnen indien zij denken de instructie niet nodig te hebben. De groep D/E leerlingen luisteren naar de algemene instructie, maar krijgen daarna nog verlengde instructie.
Bovenstaande houdt in dat een leerkracht niet kan volstaan met één algemene instructie en één onderwijsaanbod, maar dat er sprake moet zijn van gedifferentieerde instructie en een gedifferentieerd onderwijsaanbod. Om dit mogelijk te maken heeft de school gekozen voor “zelfstandig werken”. De leerkracht zal momenten moeten creëren waarin hij zijn ‘handen vrij’ heeft om (extra) instructie te kunnen geven aan individuele kinderen of een groepje kinderen. Van de leerlingen wordt gevraagd dat zij gedurende een (korte) periode zelfstandig kunnen werken. Hierbij zijn het omgaan met ‘uitgestelde aandacht’, samenwerken en elkaar helpen belangrijke vaardigheden.
Het zelfstandig werken wordt vanaf de kleuters tot aan groep 8 opgebouwd. Het ontwikkelt zich van de uitgestelde aandacht en het omgaan met het kiesbord bij de kleuters, via een dagtaak bij groep 4 tot een weektaak in groep 8.

In iedere groep wordt gewerkt met ‘uitgestelde aandacht’.
Voor de groepen 1/2 geldt de regel: als het stoplicht op rood staat en/of de juf een rood lint om heeft, kun je even niets vragen aan de juf. Als je klaar bent met een werkje, kies je de volgende activiteit volgens het kiesbord. De juf is onderwijl bezig met een kind of groepje kinderen.
In de groepen 3 t/m 8 wordt er ook gewerkt met het stoplicht, waarbij de volgende regels gelden:
Stoplicht rood: Alle kinderen werken zelfstandig. De leerkracht geeft instructie aan een kind of groepje kinderen.
Stoplicht oranje: Alle kinderen werken zelfstandig; zij mogen hulp vragen aan elkaar. De leerkracht geeft instructie aan een kind of groepje kinderen of bespreekt het gemaakte werk van leerlingen die tijdens de algemene instructie al begonnen waren.
Stoplicht groen: Alle kinderen werken zelfstandig; zij mogen hulp vragen aan elkaar. De leerkracht is ook beschikbaar voor vragen. De kinderen weten dat de les bijna afgelopen is en wat zij nog moeten doen om het werk af te krijgen.
De lengte van tijd waarop het stoplicht op rood, oranje, groen staat is afhankelijk van de soort les en de verschillende instructiegroepen. Maar in het algemeen geldt dat de tijd waarop het stoplicht op rood staat, ongeveer 5-8 minuten bedraagt. Overigens in de groepen 3 gebruiken we in het eerste half jaar alleen het groene en het rode stoplicht
Het schoolwerk is onderverdeeld in werk dat een leerling moet doen en werk dat een leerling mag doen. Bij het werk dat de leerling mag doen, als de verplichte stof klaar is, wordt de leerling uitgedaagd zich zelfstandig te verdiepen in taken en onderwerpen die aansluiten bij de ontwikkeldoelen van het kind. Dat kan variëren van kapla-bouwwerken en techniekopdrachten tot werkstukken en computerprogramma’s. De leerkracht begeleidt dit proces.
Bij taal en rekenen gaan we ervan uit zoals eerder gemeld dat er in iedere klas in minimaal 3 niveaus gedifferentieerd wordt. Voor het “gemiddelde” kind wordt de normale methode gevolgd. (De methode is ook voor het gemiddelde kind geschreven). Voor kinderen die meer aandacht nodig hebben om het gemiddelde niveau te kunnen halen wordt naast de normale methode extra leerstof aangeboden. Voor rekenen wordt er ook gewerkt met Maatwerk en voor taal met Woordenhaai, Woordkasteel en Goed Spel. De boven-gemiddelde leerlingen volgen het routeboekje van taal en rekenen waarbij zij dezelfde leerstofkern volgen, maar sneller door de stof gaan (‘compacten’).

Basisontwikkeling bij onze kleuters
De manier waarop wij in de kleuterklassen werken speelt heel direct in op de interesses die de kinderen hebben en de vaardigheden die ze nodig hebben. Wij werken ontwikkelingsgericht, wat wil zeggen dat wij ons onderwijs zodanig inrichten dat er sprake kan zijn van een optimale betrokkenheid van de kinderen. Je leert nu eenmaal het meest wanneer je op een voor jou uitdagende manier wordt geprikkeld. De doelen van de Basisontwikkeling geven aan welke ontwikkeling- en leerprocessen nagestreefd moeten worden. Elk kind zal emotioneel vrij moeten zijn, zelfvertrouwen moeten hebben en nieuwsgierig moeten zijn (de 3 basiskenmerken) wil het tot leren komen. Van daaruit ontwikkelt een kind zich in de breedte: het leert o.a. samenwerken en samen spelen; het leert onderzoeken, redeneren en probleem oplossen; het wil de wereld verkennen; het voorstellingsvermogen en de creativiteit ontwikkelen zich. Om de brede ontwikkeling te ondersteunen zijn specifieke kennis en vaardigheden nodig, zoals motorische vaardigheden, woorden en begrippen geschreven en gedrukte taal, hoeveelheden en bewerkingen.
Basiskenmerken, brede ontwikkeling en specifieke kennis en vaardigheden vormen een samenhangend geheel.
De HOREB (Handelingsgerichte Observatie, Registratie en Evaluatie in de Basisontwikkeling) wordt gebruikt om te observeren en ons onderwijsaanbod goed te plannen en voor de registratie van de ontwikkeling van onze kleuters maken we gebruik van de KIJK. Op alle ontwikkelingslijnen (sociale en emotionele ontwikkeling, motorische ontwikkeling, ontwikkeling van de geletterdheid, enz.) kan de leerkracht d.m.v. het inkleuren van vakjes zien, en aan de ouder laten zien, hoe het kind zich ontwikkelt. In een oogopslag ziet de leerkracht ook waar hij/zij een ander aanbod moet presenteren en/of het aanbod moet bijstellen.

Opbrengstgericht of resultaatgericht werken
De komende jaren willen wij nog gerichter aan de leeropbrengsten van de leerlingen werken. We doen dat omdat we onszelf als team altijd de vraag stellen: Hebben we als school alles uit deze leerling gehaald wat er in zat? Hebben we deze leerling in staat gesteld om tot zijn/haar maximale prestatie te komen? Door met leerlingen duidelijk leer- en ontwikkeldoelen vast te stellen en hen inzicht te geven in hun leercurve wat betreft deze doelstellingen motiveren we leerlingen om het beste uit hen zelf te halen. We hebben hoge ambities maar met oog voor de mogelijkheden en onmogelijkheden van elke leerling. De ervaring leert echter dat kinderen die zich veilig voelen, uitgedaagd worden met prikkelende leerstof en die zich zeker voelen wat betreft het succesvol zijn in het behalen van hun doelen omdat de leerkracht vertrouwen heeft in hun kwaliteiten, beter presteren dan kinderen waarbij de lat laag gelegd wordt.
Groepsoverstijgend werken
Op onze school wordt het groepsoverstijgend werken als werkvorm ingezet om nog beter op niveau instructie en begeleiding aan de leerlingen aan te kunnen bieden. Verder wordt het ook als werkvorm ingezet om kinderen een groter sociaal netwerk te bieden dan alleen de eigen klas. Bij de kleuters doen we dat door verschillende groepen kleuters met elkaar te laten werken in de centrale kleuterhal. In de middenbouw en bovenbouw wordt er door diverse groepen samengewerkt op het gebied van taal en rekenen en de creatieve vakken. Ook worden projecten door verschillende groepen gezamenlijk uitgevoerd.

Leerlingen met een ontwikkelingsvoorsprong

We willen de komende jaren meer mogelijkheden creëren voor die leerlingen die meer in hun mars hebben dan gemiddeld; de cognitief sterkere kinderen. Omdat we onze leerlingen breed willen ontwikkelen, wordt naast de cognitieve ontwikkeling ook aandacht besteed aan de sociale, emotionele, motorische en creatieve ontwikkeling. Hierbij denken we aan bewust gebruik maken van meerdere intelligentiegebieden (Gardner).
Realisatie van onderwijskundig beleid gebeurt door:

  • Scholing van de teamleden en ontwikkeling van de benodigde vaardigheden op het gebied van resultaatgericht werken.
  • Het gebruik van de Kijk en de HOREB wordt voortgezet.
  • Voor de midden- en bovenbouw wordt er naast het Cito Leerlingvolgsysteem ook een leerlingvolgsysteem voor de sociaal-emotionele ontwikkeling ingezet.
  • Voortdurende kwaliteitsontwikkeling van ons lees-, taal- en rekenonderwijs
  • Verdieping in leerlingen met een ontwikkelingsvoorsprong en de mogelijkheden voor adequaat leerstofaanbod.
  • Experimenteren met die mogelijkheden.
  • Vorming beleidsstuk Werkvormen en toepassing daarvan.